Lokale geschiedenis komt tot leven  

Doel:  Kinderen gebruiken bronnen om een spelscène te ontwerpen.
Lesvoorwaarde:  Hoe zorg je voor spelplezier voor spelers en jezelf? Wat vraagt de les van de kinderen? Kun je dit vragen
Lesorganisatie:  Zoek een site met achtergrondinformatie van monumenten en gebouwen uit de eigen regio: http://www.cultuurplein.nl/po/lesmateriaal/erfgoed/erfgoed. En een  met archieven van een regionale krant. Bereid deze les voor door zelf speltraining 1 en 2 te doen. De resultaten daarvan presenteer je in de spelintroductie. Reserveer het speellokaal als het kan of maak ruimte in je eigen leslokaal

Spelintroductie:

Jij vertelt in rol een verhaal over een lokaal gebouw of monument.

Speltraining: bronnenonderzoek

De kinderen kiezen een gebouw of monument en zoeken hierover verhalen en achtergrondinformatie die de historie weergeeft. Uit de informatie kiezen ze datgene dat ze nodig hebben voor een scène. Om deze te kunnen spelen bedenken ze eerst de Wie’ s en een Wat. De Waar is al gegeven. Wellicht heb je in je bronnenonderzoek ook voorvallen gevonden die er gebeurd zijn (wat) en/of namen (wie). De kinderen maken een keuze uit de gevonden informatie om uit te werken in een scène. Ze mogen zelf informatie aanvullen en uitwerken. Ze mogen het voorval overdrijven, uitbreiden. Ze mogen er rollen bij verzinnen of weglaten en nieuwe rollen invoegen. Ze geven de rollen natuurlijk een eigen karakter.

Spelsituatie:

Verzin samen een scène met een begin- midden en een eind. In het begin maken we kennis met wie en waar. In het midden valt er iets voor, gebeurd er iets of ontstaat er een probleem. In het einde verzin je hoe het verhaal afloopt. Oefen je scène met tekst en beweging. Breng de geschiedenis tot leven!

Spelafronding

Alle groepen presenteren hun scène. Vraag voor het publiek:
@ Is de geschiedenis voor jou gaan leven? Waar zat hem dat in?
Vraag voor de makers
@ Wat heb je gebruikt van je bron en wat heb je erbij verzonnen?
Tip: je kunt ook een route maken langs alle plekken die de kinderen gekozen hebben en op locatie de scènes die binnen geoefend zijn presenteren.
Deze les kun je ook gebruiken om de vijfde kaart voor het kwintetspel Weet wat je erft te maken.

De podiumtentoonstelling    

Het kwartetspel Weet wat je erft is hen bekend en herspelen ze om het geheugen op te frissen. Er zijn kwintetkaarten ontstaan, evenals speelscènes, en andere verwerking- en vormgevingsmogelijkheden. We gaan nu op onderzoek naar spreekwoorden en gezegden. Wie weet komt er een podiumtentoonstelling met quiz.  Je tast hun motivatie hiervoor af en kiest op grond van de uitslag hoe je het verder gaat.
Doel:   Bij een volledig project:
De kinderen ontwerpen en realiseren een interdisciplinaire podiumtentoonstelling bij het kwintetspel. Ze spelen  boeiende scènes en leiden het publiek rond. Ze weten veel van de eigen hedendaagse en oude culturele rijkdom.
Bij beperkte keuze voor de spreekwoorden:  Kinderen vertellen overtuigend vanuit een rol een verklarend verhaal.
Lesvoorwaarde:  Hoe zorg je voor spelplezier voor spelers en jezelf? Wat vraagt de les van de kinderen? Kun je dit vragen ?

Lesorganisatie:

Lees eerst zorgvuldig de hele les om te beseffen wat je allemaal organiseert en neem ruim de tijd hiervoor. Afhankelijk van de keuzes die jullie maken heb je twee, vier, zes, acht weken voorafgaand aan quiz en podiumtentoonstelling nodig.
Keuzemogelijkheden
Een les: herkomst van spreekwoorden
Twee weken: Een podiumtentoonstelling vanuit eerdere kwartetspelactiviteiten
Vier weken: + verdiepend onderzoek van kwartetkaarten uitmondend in kwalitatief goede speelscènes.
Zes weken: + verdiepend onderzoek van spreekwoorden, uitmondend in kwalitatief goede speelscènes.
Acht weken: verkennen van kwartetspel, spelen van variant opdrachten, doen van onderzoek, werken aan kwalitatief hoogstaande podiumtentoonstelling, organiseren ervan en van de quiz avond met afsluitend het vriendschapsbanden smeden bij het kampvuur.
Als jij en de kinderen gemotiveerd zijn, besteed je hieraan de laatste periode ter afsluiting van het schooljaar. Reserveer het speellokaal voor de uiteindelijke podiumtentoonstelling of gebruik meerdere lokalen en gangen.

Introductie

Het kwintetspel herspelen om het geheugen op te frissen. Erna gaan ze op onderzoek naar spreekwoorden en gezegden, waarmee ze het kwintetspel aanvullen. Je vertelt hen over een podiumtentoonstelling met quiz. Beide kunne op een avond plaatsvinden. (Groot)Ouders worden uitgenodigd en de avond wordt afgesloten met een kampvuur waarin ze vriendschapsbanden smeden.
Onderzoek naar herkomst van spreekwoorden
Een groep inventariseert oude ambachtelijke beroepen  b.v. schapenboer, landbouwer, kippenboer, schoenmaker, smid, schoolmeester, koopman, naaister etc . Ze bespreekt welke nu nog bestaan. Ieder tweetal kiest een beroep en gaat op zoek naar spreekwoorden die erover/erdoor zijn ontstaan. Vervolgens speelt een van twee de beroepsrol en de ander de journalist die interviewt: wat weten ze al wel en wat willen ze beter weten? Ze gaan op onderzoek uit en komen tot een scene. Of  omgekeerd ze beginnen met bladeren in een boek over spreekwoorden en gezegden.

Ontwerpen

Kinderen bepalen welk beeldend, muzikaal, dichterlijk theatraal materiaal ze voor welke kaart[en] en spreekwoorden kunnen realiseren. Ze verdelen de kunsttalen en gaan aan het werk: Wat hebben ze nodig? Waar kunnen ze wat vinden? Hoeveel tijd heeft ieder nodig? De groep bepaalt waarover ze scènes ontwerpen en welke eerdere scènes ze herhalen voor de avond. Ze verdelen de scène(s) en oefenen. Beter kort en kracht spelen, dan  groots waarbij aandacht wegebt.

Tentoonstellingscompositie

Bespreek hoe alles wat gemaakt is wordt ten toon gesteld, ten gehore gebracht of getoond in korte voorstellinkjes: wat komt waar, in welke volgorde en hoeveel ruimte is er nodig voor het spelen?

Spelsituaties:

Kinderen presenteren hun scènes en vragen groepsgenoten adviezen ter versterking.
@ wat is het belangrijkste dat de gasten moeten begrijpen van die kaart?
@ komt dat duidelijk naar voren in jullie scene?
@ hoe kan het duidelijker? Mooier ? Vollediger?

 Generale repetitie van de podiumtentoonstelling

Kinderen stellen al het materiaal dat ze maakten op langs de wanden van het lokaal waar de quiz gehouden zal worden. Ze houden rekening met voldoende tussenruimte op die plaatsen waar ze een scene willen spelen. Misschien is er hier en daar verspreid een verhoging (enkele tafels onder een grote zwarte lap) waarop gespeeld wordt.

Napraten over de avond van de presentatie

@ welke succesmomentjes willen we noemen?
@ zijn we tevreden over de podiumtentoonstelling?
@ willen we nog eens een podiumtentoonstelling maken over iets anders?

Van tekst naar toneel     

Heb je mijn kleine jongen niet gezien!’ tekst Suzanne van Lohuizen.
Doel: Kinderen bedenken  intonatie en stil spel bij een gegeven toneeltekst en ervaren dat er meerdere manieren zijn om een tekst vorm te geven in spel.
Lesvoorwaarde: Hoe zorg je voor spelplezier voor spelers en jezelf? Wat vraagt de les van de kinderen? Kun je dit vragen?
Lesorganisatie:  Reserveer het speellokaal of maak ruimte in je eigen leslokaal
Zorg voor een  kranten en kopieer de toneeltekst voor iedereen:

Staap:              Zit niet zo te smakken.                                                      Kamiel:           Ik smak niet.
Staap:              Je smakt.                                                                              Kamiel:           Ik smak niet.
Staap:              Je smakt                                                                               Kamiel:           (smakt) ik smak niet, ik smak niet, ik  smak niet.

Kamiel:           Zit niet zo te lezen.
Staap:              Ik lees niet.                                                                         Kamiel:           Je leest wel.
Staap:              Ik lees niet.                                                                         Kamiel:           Je leest wel, je leest de krant.
Staap:              Ik lees de krant niet want jij smakt de hele tijd.  Wees stil, dan kan ik tenminste lezen.

Staap:              Zit niet aan je tenen te peuteren.                                  Kamiel:            Ik zit niet aan mijn tenen te peuteren.
Staap:              Dat doe je wel.                                                                   Kamiel:           Dat doe ik niet .
Staap:              Dat doe je wel                                                                    Kamiel:           Dat doe ik niet.
Staap:              Wat doe je dan?                                                                 Kamiel:           Ik heb jeuk.
Staap:              Jeuk?                                                                                   Kamiel:           Aan mijn tenen.

Spelintroductie

Deel de teksten uit, vertel hen dat dit het begin is van een toneelstuk, dat Staap en Kamiel voortdurend bezig zijn met een wedstrijdje: wie is het slimst, wie is het liefst, wie krijgt de meeste aandacht, wie is het gemeenst, wie is de baas… Vraag hen de tekst voor zichzelf te lezen en wie volgens hen de winnaar is in het eerste stukje. Laat ze hun antwoord toelichten. Stel dezelfde vraag bij het tweede en het derde stukje.

Speltraining: tekstzegging

Maak tweetallen. Laat ze afspreken wie de tekst van Staap en wie van Kamiel spreekt. Vraag de kinderen om hun roltekst op verschillende manieren uit te proberen: ruziënd, overdreven lief, zeurend en normaal. Laat ze daarna een manier kiezen die ze het beste vinden passen.

Spelsituatie:  Handelingen bij de tekst

Kinderen gaan op zoek naar wat ze doen terwijl ze spreken. Soms haal je dat uit de tekst.  Staap probeert de krant te lezen. Kamiel peutert aan zijn voet. Doen ze dat de hele tijd? Wat doet de ander en hoe doen ze het?  Hou je de krant breed voor je, zit je met je neus boven op de letters, wijs je  regels aan, lees je languit liggend of zittend aan tafel?.
Vraag de tweetallen om een van de drie stukjes uit te spelen en te bedenken wat Staap en Kamiel doen. hoe ze de handelingen doen (snel, traag, blij, geïrriteerd, onhandig). Eventueel nog eens de handelingen anders. Met welke verzie willen ze verder werken?
Stil spel
Waar lassen ze een minuut stilte in. Er valt dan wel iets te zien. Voordat de eerste zin gezegd wordt, aan het eind of ergens tussenin? Waar maakt stil spe het spannend?

Spelpresentatie

Laat ieder groepje presenteren en bespreek na dezelfde stukjes de verschillen en overeenkomsten.

Spelafronding:

@ Wie zijn Staap en Kamiel in deze versie – wat is hun relatie?
@ Hoe werd de relatie of het karakter van de rollen duidelijk – wat deden ze ?
@ Hoe werkte de stilte?
@ Jullie hebben verschillende stukjes gezien bij de zelfde tekst. Wat waren de opvallendste verschillen?
@ welke passen erg mooi bij elkaar en vormen een mooi geheel?
Laat deze tot slot als een geheel presenteren
@ wat hebben jullie in deze les ontdekt?
Tip: een dergelijke les is te doen met elke toneeltekst. Lees in de introductie de tekst en vraag naar de relatie tussen de rollen . Werken met een toneeltekstfragment kan een goede voorbereiding zijn op een bezoek aan een voorstelling. Tekstfragmenten zijn meestal wel bij de theatergezelschappen op te vragen.

Danstheater  

Bekijk enkele dansfilmpjes op you-tube of geef de les na het bezoek aan een dansvoorstelling. Zie suggesties in de uitgewerkte les. De kinderen doen inspiratie op doen voor dansbewegingen.
Doel: Kinderen benoemen waarin dans verschilt van theater en voegen dans toe aan een spelscène.
Lesvoorwaarde: Hoe zorg je voor spelplezier voor spelers en jezelf? Wat vraagt de les van de kinderen? Kun je dit vragen ?
Lesorganisatie: Reserveer het speellokaal als het kan, anders maak je ruimte in je eigen leslokaal
Spelintroductie Bekijk dansfilmpjes op you-tube of geef de les na  een dansvoorstelling.
1 De stilte danst, een stomme film http://www.youtube.com/watch?v=7bN1TLH70Dk  Dit fragment raakt theater, er zitten duidelijke rollen in.
2 trailer Bach De dansers http://www.youtube.com/watch?v=AWs7soDL-F4&feature=PlayList&p=B103E58F833B2F75&index=0&playnext=1  Hierin ontdekken ze minder snel een verhaal en ook niet meteen rollen. Misschien wel relaties tussen de figuren. Kinderen doen inspiratie op voor dansbewegingen. Bespreek verschillen en overeenkomsten tussen dans en theater.

Speltraining

Kinderen staan in een ruime kring, er klinkt muziek. Een voor een doen ze een dansbeweging in vier tellen, de anderen doen na. Tel zelf hardop rustig tot 4 en meteen opnieuw 1-2-3-4, zodat de groep meteen de beweging kan herhalen zonder concentratie te verliezen.
Tips om een beweging langer te laten duren: doe de beweging links en daarna rechts, met vingers en daarna armen of benen, met hoofd en daarna de romp, doe de beweging twee keer.
Doe dezelfde opdracht nog een keer op een andere muziek, dit inspireert tot andere bewegingen.

Spelsituatie

Kinderen maken in groepjes van 4-6 een danstheaterscene. Ze beluisteren enkele keren  de muziek, verzinnen een spelscene erbij en ontwerpen dansbewegingen. Elk groepje krijgt een waar en wat. Daarmee verzinnen ze een korte scène en oefenen ze. Ze spelen de scène zonder woorden. Geef aan hoeveel tijd ze hebben om dit te bespreken.

Oefenen en presenteren

Alle groepjes oefenen tegelijk. Laat vervolgens de muziek, die ze gaan gebruiken enkele malen horen. Elk groepje voegt 4-6 verschillende bewegingen toe van steeds  4 tellen. Ze herhalen dansbewegingen, laten ze op een ander moment terugkomen of voeren deze eerst door een en vervolgens door meerderen uit. De scene oefenen ze enkele keren zonder muziek. Als ieder min of meer weet hoe de scene verloopt, oefent ieder tegelijkertijd op dezelfde muziek of na elkaar op verschillende muziek. Brengen ze het duidelijk over aan publiek? Wat kunnen ze nog versterken? Jij adviseert ieder. Om de beurt presenteren de groepjes hun scene

Spelafronding:

@ Welke dansbewegingen heb je gezien? Waren er ook bewegingen die herhaald werden?
@ Wat verandert er aan het spel als je dans toevoegt?

Ubbergen, update winter 2021